Thuiskomst
Thuiskomst
Witte kiezelsteentjes vinden houvast op de ruwe stof van de
kleurige bezwete handdoek. Ze klopt de regenboog flink uit op
een grote steen als het begint te waaien. Dennengeur
vermengd met zonneolie komt haar tegemoet. De badstof met
steentjes bezeert haar bovenbenen en buik. Nijdig gooit ze de
handdoek op het kiezelstrand, naast haar zoon. Hij ademt
knoflook en wijn, gromt in zijn slaap. Zijn kale hoofd rust op zijn
volle legerrugzak. Barst, denkt ze en loopt hard richting zee.
Daar laat ze zich afkoelen door de bruisende golven. Zand en
zout schuren haar huid weldadig. Zo moet het zijn. Zij in de
zoele zee, hij eindelijk op het strand. Zijn roes uitslapend.